top of page

Op ontdekkingstocht.

Vandaag gingen we op ontdekkingstocht. We hadden een trekkarretje, onze waterflesjes en elkaar. Ik genoot van de leefwereld van de twee- en driejarige jongetjes die m’n compagnonnen waren.


Elk klein ding dat voor mij zo normaal is, was voor hen een hele belevenis. En zo kon ook ik opnieuw met andere ogen rondkijken.


We liepen voorbij de tuin van de buren en een hond begon te blaffen. De jongste riep heel gefascineerd ‘hond hond’ maar moest daarna plots erg wenen. Ik beeldde me in hoe een groot wezen een hond moet zijn voor een peuter. Hoezeer het mij in het begin verwardde -die gefascineerdheid en angst tegelijkertijd- toch kon ik het begrijpen. Eigenlijk heb ik ook wel momenten in mijn leven dat ik gefascineerd ben en schrik tegelijk heb. Ik ga er alleen niet voor wenen natuurlijk, want ondertussen uit angst zich anders.


We vonden mooie steentjes, een grote stok en verschillende papiertjes op de grond. Wat zou dat allemaal zijn? We vonden de steentjes op een steentjesweg en daar waren autosporen in. De oudste vroeg wat dat was en wanneer ik uitlegde dat autos deze sporen maakten, kreeg ik te horen dat auto’s dat niet mogen doen.


Een beetje verder was het plots lekker fris omdat we in de schaduw van een boom wandelden. Ik legde hen uit wat een schaduw was en dat ze er ook eentje hebben wanneer de zon er is. Daarna zagen ze hun eigen schaduw en merkten ze dat de bewegingen die ze zelf maakten daar een effect op hadden. Dat vonden ze leuk. Terwijl ik hen bezig zag, dwaalden mijn gedachten af...als de zon er is, als er licht is, dan zien we zo duidelijk onze schaduw. En die gaat niet weg, die blijft aan ons geplakt. Dus maar beter kijken, naar onze schaduwkant, duistere of ‘verstopte’ kant. Want hij is deel van ons. Maar beter ernaar kijken en ermee dansen, ermee in interactie gaan, zoals de kindjes in hun bewegingen deden. Wie weet wordt het dan nog leuk, als we het als deel van ons aanvaarden.


We liepen verder, keken naar de mooie bloemen aan de kant van de straat en zagen dan plots een dode muis op de grond, waarop mieren ijverig samenwerkten -zoals zij dat zo goed kunnen- om hun vondst mee naar huis te nemen. Ze keken allebei nogal geshockeerd dat zoiets kon gebeuren. Waar waren mama muisje en papa muisje? En waarom waren er miertjes op? Was het muisje aan het slapen? Ik probeerde hen uit te leggen dat het muisje dood was en dat het niet meer zou wakker worden, en dat andere diertjes dode dieren opeten. Ja, waarom, leg dat maar eens uit. Komen en gaan, leven en dood. Hoe de dood opnieuw leven kan brengen,...


Hoe kinderen de wereld proberen te begrijpen en hun verwondering voor de-voor-mij-normale-dingen fascineert mij enorm. We spelen het als volwassene vaak kwijt. Het doet me stilstaan bij hoe die verwondering een houding is, die je de magie in het leven laat zien en levenslust geeft. Remedie tegen verbitterdheid en arrogantie.


Op het einde van de straat zagen we een vrouw in haar voortuin werken. Ze nam het onkruid weg zodat haar bloemetjes konden groeien. ‘Goodmorning!’. De oudste vertelde haastig over ‘the mouse’ die dood was, wat verder in de straat. De vrouw legde hen uit dat het waarschijnlijk een kat was, die de muis had gevangen. ‘Oh neeee’ zeiden ze. Ik zag hun hersentjes draaien en de informatie verwerken. Wanneer we weer vertrokken, vroegen ze of het muisje echt niet sliep...?


We staken de straat over naar een groot grasveld en een speeltuintje. Eens daar hoorden we een vliegtuig. Ze stopten allebei en draaiden hun kleine hoofdjes naar omhoog. Daar stonden we dan, stil te staan en naar boven te kijken. We zagen in de felblauwe lucht een vliegtuig voorbij vliegen. Die stopmomentjes om naar iets te kijken of te horen van waar iets komt, de tijd ervoor nemen, niet rushen naar de bestemming, maar observeren wat er zich rondom ons afspeelt,... het brengt me mee naar het presente moment. En daar ben ik zo dankbaar voor want met mijn toekomstgericht brein is dat een heerlijkheid en telkens opnieuw een grote les, die kinderen mij geven.


Nadat we nog nieuwe dingen hadden ontdekt, onze waterflesjes hadden leeggedronken en we een beetje moe waren, wandelden we weer richting huis. We babbelden over wat we allemaal hadden gezien en meegemaakt, over wat we eng vonden, en vies, en mooi, en grappig, en leuk. Ik genoot van hun schattige zinsconstructies en woordjes. Terwijl ze reflecteerde over de ontdekkingstocht, besefte ik dat ze veel hadden geleerd. En ik ook.



bottom of page